Oma geeft Joep het tuigje en helpt hem het goed om te doen. Joep ziet dat oma de twee riempjes van het tuigje heeft gerepareerd. Dan bevestigen ze samen de vleugels. Joep ziet ook dat ze niet meer onder het stof zitten, het papier van de frietzakjes is wel oud, maar het ziet er nog picobello uit. Dan legt oma uit wat Joep moet doen:’Je gaat de heuvel op en zoekt uit waar de wind vandaan komt. Die is vandaag precies goed, niet te zacht, maar ook niet te hard. Je beweegt je armen op en neer, de metalen vering tussen het tuigje en de vleugels zal zorgen voor een versnelling van je bewegingen. Je rent de helling af, tegen de wind in met je armen steeds op en neer, op en neer.’
Joep gaat de helling op, de vleugels stevig op zijn rug gebonden. Terwijl hij omhoog loopt probeert hij de ze al op en neer te bewegen. Dat gaat goed.
Boven aangekomen voelt hij waar de wind vandaan komt. Hij voelt de stevige bries. Hij kijkt de helling af, er staan geen bomen in de weg. Joep is een beetje zenuwachtig van de spanning.’Zou het lukken,’denk hij,’vlieg ik straks werkelijk?’ Oma staat gespannen te kijken. Dan geeft Joep een grote schreeuw en begint onmiddellijk te rennen, de vleugels op en neer, op en neer. Hij rent sneller en sneller en ook zijn armen gaan sneller en sneller en de vleugels geholpen door de metalen veren bewegen nog sneller dan Joep’s armen.’Kom op, kom op’, denkt Joep. ‘Kom op, kom op,’roept oma wanneer ze Joep voorbij ziet snellen. En dan, dan….Hij voelt de grond nauwelijks meer. Hij kan alleen met zijn tenen nog afzetten en daarna helemaal niet meer. Hij beweegt zijn armen op en neer, los van de aarde … Baf, krak, auw, Joep valt met een harde smak op de grond hij maakt een koprol waarbij een van de vleugels breekt. Een ogenblik later ligt hij plat op zijn rug op de grond.
Oma komt er aan zo snel als haar benen haar kunnen dragen, ze is geschrokken en ook vol bewondering.’Gaat het?’vraagt ze.’Ik geloof het wel,’ kreunt Joep. Oma helpt Joep om te gaan zitten en gaat dan naast hem zitten. Gelukkig is Joep nauwelijks gewond, alleen een schram op zijn arm door de afgebroken vleugel. De schade aan hun vliegapparaat is groter.
Oma kijkt naar Joep en Joep kijkt terug. Langzaam komt er een grote glimlach op zijn gezicht.’Zag u dat,’zegt Joep, ik geloof dat ik echt een stukje heb gevlogen.’ Ook oma lacht nu en knikt.’Het was niet ver, maar je was werkelijk los van de grond.’ ...